MOLENS

Vervennes molen

MOLENS EN BAKHUIZEN

Molens (1)

In de late middeleeuwen lijken er geen molens geweest te zijn in Meigem.  Als men de oude kaarten van Sanderus, Visscher en Ferraris bekijkt, dan ziet men dat alle kleine wegels, de Meulewegen, Meuleslagen of Meulepaden komende uit het oosten van Meigem, samenkomen aan de molen die op de kouter stond te Nevele en toebehoorde aan de Heer van Nevele. De wegels in het westen van Meigem lopen alle naar de molen van Vinkt, die ook eigendom was van de heer van Nevele. Dit laat veronderstellen dat er tijdens het Ancien Regime geen molens waren te Meigem. In die tijd was het malen alleenrecht van de heer. Na de Franse Revolutie is daar verandering in gekomen en van toen af kwam onze gemeente in het bezit van drie windmolens, die helaas door de natuurelementen of door oorlogsomstandigheden verdwenen zijn. Het waren Dujardins molen in de Pastoriestraat , Carons molen op Kruiswege en Vervennes molen op de Berg.

De ongelukkigste van de drie was Dujardins molen. Het was een mooie houten staakmolen op teerlingen gebouwd, die stond op de plaats waar nu Jules De Meester woont in de Pastoriestraat. Het was een graanmolen, met twee koppels molenstenen, gebouwd in 1854 door de eigenaar Ignace Dujardin en verzekerd voor de som van 2.500 frank. Dujardin was wagenmaker, olieslager en mulder. Toen de molen vier jaar oud was werd hij door de bliksem getroffen en brandde hij totaal uit. De molenaar was er het hart van in en is na de ramp landsman geworden. Hij heeft niet lang meer in Meigem gewoond en is verhuisd naar Petegem-Deinze.

Vervennes molen gezien vanuit de dorpskern.

Nabij de dorpskern stond Vervennes molen. Die beheerste de nabijgelegen kouter.  Het was een stenen bovenkruier, dit was een molen met stenen onderbouw waarvan alleen het bovenste deel in hout vervaardigd was, en die kon draaien. Hij moet gebouwd zijn in 1816 en de naam van de eerste eigenaar is niet bekend. In 1846 was de molen eigendom van Ferdinand Van der Vennet. Ten jare 1879 vinden we er Hendrik Gallens, mulder en olieslager. Deze liet in de molen naast de tarwesteen en de 2 koppels roggestenen, een koppel pletstenen opstellen. In 1893 kwam Constantinus Van der Vennet op de molen en bouwde naast de stenen kolos een jeneverstokerij. Boven dit gebouw, waarin de vuurmachine voor de maalderij en stokerij was opgesteld rees een hoge vierkante schouw op, gebouwd door Kamiel De Winne uit Nevele voor de som van 200 frank.

Vervennes molen op de Berg.

Op 10 oktober 1898 betrok Emiel Van der Vennet de molen en de stokerij terwijl er geketst (2) werd met 2, soms 3 muldersgasten. Deze gingen het graan bij de landbouwers ophalen en brachten het meel terug. Het gebeurde soms dat de landbouwer geen weegtoestel bezat, dan werd er een “boerenkluts” gevuld op zicht. Om op de molen kenbaar te maken dat de zakken al of niet gewogen waren, gebruikte men een simpel truukje. Was een zak gewogen op de hoeve dan werd hij heel zacht aan de ophaalreep bevestigd. Was de zak niet gewogen, dan werd aan de reep eens duchtig getrokken. Zo werd aan de mulder, die boven in de molen werkzaam was, kenbaar gemaakt dat hij zijn slag kon slaan. Op 16 oktober 1918 werd deze mooie molen opgeblazen.

Vervennes molen werd vernield op het einde van de Eerste Wereldoorlog.

In 1921 richtte Emiel Van der Vennet een mechanische maalderij op naast zijn woning op het dorp. Deze werkte tot in 1941. Wat er van de stenen molen overbleef werd nog een tijd gebruikt als bergplaats. Tenslotte werd alles vernield tijdens de bloedige meidagen van 1940. De laatste resten verdwenen definitief bij het aanleggen van de betonweg in 1948. Alleen de benaming “steenemolen” op de stafkaarten geeft nog de plaats aan waar de molen eens gestaan heeft.

De mechanische maalderij van Vervenne op het dorp.

De molen op Kruiswege heeft het langer volgehouden. Rond 1870 verbleef op Kruiswege August Ranson. Hij woonde er op het hoogste punt van de gemeente, 17 m boven de zeespiegel, en liep reeds lang met het denkbeeld rond eens een eigen molen te bezitten. Toevallig kwam in Vinkt een houten windmolen te koop. Ranson zag zijn kans en besloot de molen te kopen, hem af te breken en op zijn eigendom weer op te bouwen. Doch weldra moest de ondernemende man ervaren dat zijn droombeeld niet uit te voeren was. Hij moest er zich toe beperken enkel de wieken en het draaiend werk uiteen te nemen. Ondertussen liet hij een stenen molen bouwen, waarop hij het houten bovenwerk en de wieken opstelde. De man had hiervoor zware financiële inspanningen moeten opbrengen, bij zoverre dat hij de molen moest verkopen. Dit gebeurde precies acht dagen voor het uitbreken van de eerste wereldoorlog. Het was Aloïs Caron, geboren te Zingem en komende van de molen van Petegem, die de hofstede en de molen aankocht. De nieuwe eigenaar verliet 8 dagen later reeds zijn molen om zijn vaderlandse plicht te vervullen. Hij moest een vrouw en drie kinderen achterlaten die er zich zo goed en zo kwaad als het ging doorsloegen. De molen werd bediend door twee zonen: Gaston 15 jaar en Gilbert 13 jaar.

Carons molen op Kruiswege.

Veel geluk echter zou de molen niet beschoren zijn. In 1932 reeds moest er een nieuwe roede ingedraaid worden afkomstig van de molen Dhaenens van Vinkt. Ook het dak en het draaiend werk werden vernieuwd door molenmaker Arthur Adam van Kruishoutem. Enkele maanden later gebeurde de catastrofe. Het was 13 oktober 1932 zeven uur in de morgen, er stond een goede wind en de molen draaide lustig. Opeens stak er een windhoos op. Gaston stond op de molen en in enkele seconden was het gebeurd. Vooraleer men de molen kon vangen, sloeg de kap om en plofte met een zware slag naar beneden. Sommige delen werden tientallen meter ver geslingerd. Het moet een treurig schouwspel geweest zijn : de pas herstelde molen fris gekalkt en geteerd, de wieken geschilderd in de nationale kleuren, alles flink opgepoetst en dan … op enkele seconden alles reddeloos verloren.

Carons molen beschadigd door een windhoos in 1932.


Dadelijk na de ramp werd de maalderij versterkt en werd er met een motor verder gemalen tot in 1956. De stenen molen bevatte 2 koppels stenen, een van 1,40 m en een van 1,50 m doorsnede . Ook was er een koppel pletstenen, waarmede eikels en lijnzaad geplet werden. De Nevelse snuiffabrikant Theofiel De Poorter kwam ook naar de molen om er snuif (3) te pletten. Er werd geketst met een knecht en het malen werd vergoed met “multer” (4) dat schommelde rond de 5 kg per 100 kg meel. Er werd ook geld aanvaard, de prijs schommelde rond 1 en 5 fr per 100 kg, naar gelang van de prijs van het graan. Wat het inkorten van de zeilen betreft, gebruikt men de volgende termen:
– draaien de wieken met het zeil een kwart bloot, dan sprak de mulder van het eindeken bloot;
– was het zeil half ingekort, dan zei men halfbloot;
– driekwart ingekort was op pestel (5) draaien;
– gans bloot zei de mulder roe bloot.
In 1956 werd besloten het metselwerk gedeeltelijk af te breken.

Carons molen na 1956.

Tot vóór enkele jaren bleef er nog een ronde kuip over die afgedekt was met een puntvormig dak en thans is alleen nog de lichte verhevenheid van de bodem waar te nemen op de plaats waar eens de fiere molen van Kruiswege stond.

Bakhuizen of ovenburen

Wanneer men langs de wegen van het land van Nevele trekt, bemerkt men op sommige boerderijen nog een vervallen gebouwtje dat vrij ver van de woning en de andere gebouwen gelegen is.  Het is het ovenbuur, ook wel ovenmuur, ovenkot of bakhuis genoemd.  Ten huidige dage heeft het geen specifieke functie meer.  Nu eens doet het dienst als kippen- of duivenhok, dan weer als bergplaats voor afval, enz.  Dit gebouwtje heeft vroeger echter een edeler rol gespeeld in het leven van onze voorouders.  In dit nederig huisje werd namelijk het dagelijks brood gebakken. 

Het bakhuis op het goed Ter Kerse, de hoeve van André Pauwels (1971)

Het bakhuis werd meestal opgetrokken op een hoge, droge plek van het erf en ver van de andere gebouwen, minstens 12 m zoals een oud politiereglement voorschreef, om brandgevaar te voorkomen.  Het ovenbuur bestond meestal uit 2 delen: de voorhal, in de streek meestal ovenkot genoemd en de eigenlijke oven.
In de voorhal of ovenkot werden bussels hout opgeslagen waarmee men stookte.  Ook de werktuigen die bij het bakken gebruikt werden, vonden hier hun plaats : de trog, de rokkelare of rakelaar (6), de ovenpale (7) en de ton waarin de houtskolen uit de oven werden bewaard. Tegen de achtergevel van de voorhal stond de eigenlijke bakoven.  De achtergevel van de oven vertoonde soms een opening waarin het hout werd gedroogd. 
Naargelang de constructie van het ovenfundament komen in het land van Nevele 4 types voor:

  1. De oven rust op bomen. Hierbij werden 30 à 40 cm boven de grond ongeveer 10 bomen in de beide zijmuren gemetst, die een soort vloer vormden.  Hierop streek men een laag klei en legde men de ovenvloer.
  2. De oven rust op één gemetselde boog. Op die boog kwam een laag zand en vervolgens de ovenvloer.
  3. De oven rust op verscheidene bogen.  Dit is ongeveer hetzelfde type als het voorgaande maar het viel duurder uit.
  4. De oven rust op de grond. Hierbij steunen de draagmuren van de oven rechtstreeks op de fundering die in de grond gedolven is.  De ovenvloer ligt dan op een dikke laag aangestapt zand.

Het metsen van een oven was een hele karwei en werd uiteraard aan vaklui overgelaten.

De bakhoven op de hoeve Cocquyt aan de Meerskant (1971)


VOLGEND ITEM : DE KERK


(1) Het grootste deel van deze tekst verscheen ook in het tijdschrift van Het Land van Nevele, jaargang XII (1981), aflevering 1 p. 402-405,  onder de titel  De verdwenen molens van Meigem.

(2) Ketsen: graan ophalen en weer naar huis voeren.

(3) Snuif: fijngemalen tabak om op te snuiven

(4) Multer: maalloon.

(5) Pestel: staande as van het kroonwiel naar de molensteen. Molenspecialist Dr. Luc Goeminne uit Zulte wees in een lezersbrief (Het Land van Nevele, jaargang XII (1981), aflevering 4, p. 237) op een volgens hem foutieve verklaring. Pestel is de zware roedebalk die door de assekop steekt. Volgens de heer Goeminne noemt men de staande as van het kroonwiel naar de molensteen vorkijzer, klauw, ijzer of staakijzer.

(6) Rakelaar: voorwerp waarmee de vuurhaard in de oven verspreid werd. Bron: Bakkersterminologie in West-Vlaanderen/ Tania Jaecques. In : Oost-vlaamse Zanten, jrg.  LXXIII  1 9 9 8 – 2, p. 90

(7) Ovenpaal: een houten schop met zeer lange steel waarmee het brood in de oven geschoven en er uitgehaald werd. Bron : Van Dale 1898, Groot woordenboek der Nederlandsche taal.

Maak je eigen website aan bij WordPress.com
Aan de slag
%d bloggers liken dit: